
We vertrokken vol goede moed rond 9 uur vanuit Lumbini. De laatste etappe van onze reis naar Chitwan zou niet meer zo lang zijn, we lieten de hobbelige bergwegen achter ons en reden het laatste stuk in Nepals laagvlakte, met goed geasfalteerde wegen. Een rit van rond 4 uur.
Dachten we.
Na een paar uur rijden begon de chauffeur onrustig te worden en toen we even later bij een soort van luguber garagebedrijfje stopten, daagde het langzaam waarom. De chauffeur had onderweg gemerkt dat de bus vocht begon te verliezen en er bleek een lek in de remkabel te zijn ontstaan, geen bagatelletje dus.
Iedereen de bus uit. Een aantal van de groep begaf zich naar een restaurantje verderop, ik vond een zitplek op een stapeltje banden in de schaduw van een boom.
En toen was het wachten geblazen. E werd geschroefd en gelast en heel provisorisch gerepareerd. Na een poos konden we weer verder, naar een volgende garage. En vandaar weer naar een andere garage, tot we bij een bedrijfje kwamen, die het euvel blijkbaar wel zodanig kon repareren, dat we in ieder geval ons hotel in Chitwan konden bereiken, maar eigenlijk moest de bus terug naar Kathmandu voor een grondige reparatie. Michel was er helemaal klaar mee en liet dat de chauffeur ook duidelijk weten (“You ruined a day for us”, dixit Michel).
Uiteindelijk arriveerden we ruim 2½ uur later dan gepland in ons hotel in het Chitwan National Park. Dit is een enorm gebied in het zuiden van Nepal in het subtropische laagland van de Terai (deze naam betekent “vochtig land”, een vruchtbare laagvlakte ten noorden en ten zuiden van de rivier de Rapti aan de voet van de Subhimalaya, een voorgebergte van de eigenlijke Himalaya). Dit gebied is sinds 1973 beschermd natuurgebied, om verdere decimering door verdringing en stroperij van het wild, dat hier leeft, tegen te gaan. Sinds 1984 staat het park op de Werelderfgoedlijst Natuur van de UNESCO. Langs de oevers van de Rapti staat diverse resorts, waarvan ons hotel er een was.
En wat voor een hotel! Je gelooft het pas als je er bent geweest!
In het hotel staan de natuur en de ecologie hoog in het vaandel. Toen de bouw ervan in 2012 begon, lag het terrein, waar het kwam te staan, nog braak en er werden duizenden bomen geplant om het ecosysteem te herstellen en werd het weelderige junglebos dat er nu staat gecreëerd. Het is gebouwd met uitsluitend natuurlijke materialen, zoals hout, bamboe, olifantengrasriet, natuursteen en ingericht met objecten van o.a. (lokaal vervaardigde) keramiek en glas. En er is geen snipper plastic te vinden. De lokale bevolking wordt ondersteund door het gebruik van lokale producten in de keuken en het grootste deel van het personeel komt uit de directe omgeving.

We werden in het ontvangstgebouw, helemaal in de sfeer van junglearchitectuur, welkom geheten met een glaasje verfrissende vruchtendrank, een sjaaltje en een bosje “heilig” gras en de directeur (zo noem ik hem maar even, ik ken zijn functie niet) vertelde kort het een en ander over het hotel. Hierna begaven we ons naar het hoofdgebouw, waar zich buiten een receptie o.a. het restaurant en de toegang tot de tuinen en het zwembad bevindt. In het restaurant werden we opgewacht met een “late lunch”. Hierbij konden we gelijk vaststellen dat ze een fantastische keuken hebben, het was zalig.

Na de lunch werden we met een elektrisch golfkarretje naar onze kamers gebracht. “Kamer” betekent in dit geval voor iedereen een luxe huisje met een rieten dak en eigen balkon. Ook hier alles van hout, bamboe, keramiek, glas en alles met evenveel liefde en zorgvuldigheid uitgevoerd. De huisjes staan midden in de natuur, aan de oever van en met uitzicht op de Rapti-rivier. En last but not least, het personeel! Zij zijn overal even voorkomend, lief en behulpzaam, kortom, we waren compleet overweldigd door het geheel.

We hebben ons wat opgefrist en omdat we nogal wat vuile was hadden, heb ik de reinigingsdienst van het hotel opdracht voor een was gegeven, ik moest het spul buiten de deur neerzetten, de rest werd geregeld. Rond 6 uur begaven we ons weer per golfkar naar het hoofdgebouw en naar de tuin, waar in een gezellige zithoek in de buurt van het zwembad (de Tiger’s Den, vermoedelijk vanwege de kat die hier voortdurend rondscharrelt) de rest al aan een biertje zat. Hier hebben we een tijdje heerlijk gezeten. De manager van het servicepersoneel zwermde voortdurend om ons heen, of we het naar de zin hadden (ja!). Ik vroeg hem wat er zoal in de souvenirshop werd aangeboden, ik wilde nog wat aardigs voor onze kinderen meenemen en eigenlijk had ik ook graag een luchtige, gemakkelijke jurk voor de avond gehad (vergeten in te pakken voor vertrek…). Hij wist dat niet uit zijn hoofd, maar ging gelijk kijken (over service gesproken!). Even later kreeg ik antwoord, aardigheidjes genoeg, maar geen jurk. Ik dacht hardop, dat ik dat dan op een andere manier moest zien te regelen.

Om een uur of 8 trad er een dansgroep van de Tharu, de lokale bevolking op, heel leuk, hoogst elegant en gevarieerd. We ontdekten later, dat die dansgroep door dames van het servicepersoneel werd uitgevoerd, die komen uiteindelijk ook allemaal uit de omgeving.

Na de dansgroep had het programma nog een laatste verrassing voor ons in petto: een diner bij lantaarnlicht in de jungle! Hoe leuk was dat! Feeëriek! Omdat we zo laat een lunch hadden genuttigd, had ik totaal geen honger, maar we gingen natuurlijk wel mee, zoiets beleef je niet elke dag. Bovendien was het de laatste avond met Michel, die ons de volgende dag wegens familieomstandigheden helaas voortijdig moest verlaten. Het was ontzettend gezellig en uiteindelijk heb ik toch nog het toetje gegeten. Na het diner werden we weer naar ons hutje gebracht. De was lag schoon en gestreken in de kamer voor ons klaar (nogmaals: over service gesproken!). We zijn op tijd gaan slapen, want we werden de volgende ochtend al om half 7 bij de oever van de Rapti verwacht.

Geef een reactie